Technische informatie

Werkingswijze

Alle trekkoordnoodschakelaars hebben kabelbreukbewaking, d.w.z. de kabel moet tijdens de montage met een bepaalde voorspankracht worden geïnstalleerd. De waarde van de voorspankracht verschilt per apparaat. De bijbehorende waarde kan worden ontleend aan het gegevensblad van de trekkoordnoodschakelaar. Als de montage niet correct plaatsvindt, kan de trekkoordnoodschakelaar niet in gebruik worden genomen, d.w.z. een ontgrendeling is niet mogelijk. De schakelfunctie wordt geactiveerd door in verticale richting aan de kabel te trekken. De activeringskracht is uitsluitend afhankelijk van de veerkracht van de terugstelveer. Er wordt onderscheid gemaakt tussen trekkoordnoodschakelaars met eenzijdige en met dubbelzijdige werking, zie de tekeningen hieronder. Trekkoordnoodschakelaars met dubbelzijdige werking moeten altijd worden gemonteerd met twee compensatieveren. Volgens EN 60947-5-5 mogen bij bediening van de trekkoordnoodschakelaars verticaal op de kabel de maximale waarden van de activeringskracht F = 200 N en de bewegingsweg s = 400 mm niet worden overschreden. Naast deze vereiste moet het trekkoord de 10-voudige verticale trekkracht kunnen weerstaan ​​die nodig is om het NOODSTOP-signaal te produceren.

 

Maximale kabellengte

De maximale kabellengte wordt in wezen beperkt door twee randvoorwaarden. Ten eerste door de maximaal toegestane werkingsafstand s van 400 mm en ten tweede door de thermische lengteveranderingen in de kabel bij een wisselende omgevingstemperatuur, die niet tot de onbedoelde activering van de schakelaar mogen leiden. Aangezien de eerste randvoorwaarde een zo klein mogelijke en de tweede juist een zo groot mogelijke elasticiteit van het systeem vergt, moeten dergelijke systemen met betrekking tot beide randvoorwaarden worden geoptimaliseerd als een functie van de bedrijfsomstandigheden. Daarnaast moet worden nagegaan of de activeringskracht F van 200 N wordt aangehouden.

Samenhang activeringsweg / afstand kabelondersteuning

Gebruik van compensatieveren / slagbegrenzing

Compensatieveren worden gebruikt om thermische lengteveranderingen in de trekkabel te compenseren en daarmee grotere kabellengtes mogelijk te maken. In het algemeen geldt:

  • Zachte compensatieveren met een kleine veerverhouding kunnen grote thermische lengteveranderingen compenseren.
  • Bij activering van de kabel hebben zachte compensatieveren echter een groot expansiegedrag, waardoor de maximale werkingsafstand van s = 400 mm sneller wordt bereikt. Het expansiegedrag beperkt de maximale kabellengte bij een constant temperatuurbereik of het temperatuurbereik bij een constante kabellengte.
  • De afmetingen van de compensatieveer worden bepaald door de terugstelveer van de schakelaar (hoogte van de voorspankracht en veerkracht van de terugstelveer), de kabellengte (lengte en elasticiteit van de kabel) en de maximale werkingsafstand van s = 400 mm.
  • Bij dubbelzijdige bediening moet een compensatieveer met slagbegrenzing, zie tekening aan de linkerzijde, worden aangebracht om te voorkomen dat de spanveer overrekt raakt.
  • Voordat u de trekkabel installeert, moet de rode pvc-mantel van de draadkabel in het te klemmen gedeelte worden verwijderd!

Een overbelasting van de compensatieveer wordt in de regel door een slagbegrenzer voorkomen. In de praktijk worden ofwel aanvullende slagbegrenzers, ofwel zelfcompenserende veren gebruikt. Aanvullende slagbegrenzers in de vorm van veiligheidskabels zijn kritieke elementen wanneer de werkingsrelevante lengte van de slagbegrenzing wordt bepaald, maar bieden een duidelijk prijsvoordeel in vergelijking met het gebruik van compensatieveren.

Montage bij eenzijdige werkwijze

Compensatieveer met slagbegrenzing

Montage bij dubbelzijdige werkwijze

Afstand van de kabelsteun

De ter activering loodrecht op de kabel noodzakelijke werkingsafstand is het resultaat van de som van de veerwegen van schakelaar, trekkabel en compensatieveer, evenals de afstand tot de kabelsteun x [m]. D.w.z. bij het activeren van de kabel is bij een grotere afstand van de kabelsteun ook een grotere werkingsafstand nodig om dezelfde schakelweg te bereiken. Wordt bij een constante kabellengte een groter temperatuurbereik nagestreefd, dan moet de afstand van de kabelondersteuning dienovereenkomstig worden verkleind om een ​​veilig schakelen te garanderen.

Kabeltype

Het verlengingsgedrag van een trekkabel wordt bepaald door het kabeltype. Naast elastische uitrekking kan ook permanente kabelverlenging optreden na activering van de kabel. Onder bepaalde omstandigheden kunnen hogere voorspankrachten tot ontspanningsprocessen leiden (tijdelijke voorbelastingsverliezen). Verschillen in productieprocessen hebben ook invloed op het uitrekkingsgedrag.

Daarom wordt het ten zeerste aanbevolen om voor grote kabellengtes in ieder geval trekkabels van steute te gebruiken. Deze zijn aanzienlijk harder en daarom optimaal ontworpen voor deze toepassing.

Kabels van andere fabrikanten worden door het kruipgedrag van het mogelijke plastic inzetstuk in de loop der tijd vaak langer (ontspanning). In ieder geval is het noodzakelijk dat de kabelspanning regelmatig wordt gecontroleerd en zo nodig nagespannen. De bijbehorende veiligheidsinstructies in de montagehandleiding en de standaard toepassing van een spanningsslot vormen de voorwaarden voor een veilige werking.

Voorbeelden van andere compensatieveren

Montage-instructies

  • Aangezien bij het aantrekken van de kabel de kabelkousen vervormd raken, moet de kabel tijdens de montage meerdere keren flink worden nagetrokken.
  • Vervolgens moet de kabel met de klem of via de oogbout of een spanningsslot worden nagespannen.
  • Neem de bijgeleverde montage- en aansluitinstructies in acht om een ​​veilige werking te garanderen!
  • Volgens EN ISO 13850 mogen omleidrollen alleen zodanig worden gebruikt, dat het gehele kabelsysteem kan worden overzien.

Kabelkousvervorming